Spannende dagen

Heleen de Bie-de Both, Groningen

Een verhaal van Stichting Oorlogs- en verzetscentrum Groningen*

De vier dagen dat er om Groningen gevochten is, zullen we ons nog lang heugen. Reeds lang had je de bevrijding verwacht, maar toch was het gekke, dat het geheel ons zo totaal overrompeld heeft, dat je helemaal geen voorbereidingen kon treffen.Op vrijdagmiddag liep ik om half vijf nog lustig met mijn vriendin in de stad boodschappen te doen. Plotseling werden we opgeschrikt door een geweldig gebulder. We hadden geen flauw idee wat het kon zijn en toen verder alles rustig bleef, vervolgden we onze weg. Als laatste van mijn boodschappen moest ik naar de rijwielhersteller toe, om mijn karretje op te halen.

Terwijl we daar even stonden te wachten, komt er opeens een mof binnen met een kapotte fiets. Een SD-man, dik, rood, zenuwachtig en gejaagd. Typisch een mof, die ergens bang voor was. “ Mein Rad soll sofort repariert werden ”, zei hij. Toen hij met zijn revolver de rijwielmaker tot spoed aan wilde manen, hoorden we weer een geweldig gebulder. Onder een luid gejammer “ der Feind, das ist der Feind ” rende hij met zijn kapotte fiets en al de deur uit. Toen we weer op straat stonden en we het zenuwachtig gedoe van de moffen zagen, begrepen we, dat het nu eindelijk zover was en dat Groningen van nu af onder vuur lag. Voor hoe lang…? Niemand wist het. We haastten ons naar huis. Toen ik thuiskwam, vond ik Moeder wanhopig: de eerste granaat sloeg een kwartier geleden precies aan het eind van de straat in. Ik schrok me naar, ’t mooiste was dat er niemand in huis kwam. Ze waren allemaal de stad in. Niemand had immers ook maar wat in de gaten.

Die morgen hoorde je, dat ze bij Assen moesten zitten. “Geruchten!”, dacht je. Na de eerste dreunen echter hield het niet meer op, en toen begon iedereen te racen. Wij als gekken alle oude rommel, de aardappelsilo, vliegenkast, flessen etc uit de kelder gehesen en daar zaten we in de ingewanden der aarde met een flikkerend lampje.

Die vrijdagnacht lagen we met zijn allen in de voorkamer op de grond, nadat we een lekker glaasje op de goede afloop gedronken hadden. Wij deden allemaal geen oog dicht, alleen mijn broer Theo sliep heldhaftig. Het knalde en dreunde en vreselijk was het gieren, en nog eens gieren van de granaten, die overgingen, met daartussen het venijnige gerikketik van mitrailleurs. Midden in de nacht was het een paar uur rustig, maar tegen de ochtend werd het geweervuur in dubbele mate hervat. Er moest wel een complete slag woeden en naar het duidelijk horen van geweerschoten te oordelen, niet ver van ons af. We zagen in het westen een grote brand en een van de buren, die toen het even rustig was, de moed had om op het dak te klimmen, riep ons toe, dat het een van de scheepswerven aan het Hoornsediep was.

De hele zaterdagmorgen- en middag ging het geweer vuur voort en in een kleine pauze gluurde je even boven op het balkon en zag je de eerste rookkolommen al uit de stad opstijgen, dan opeens een knal ! En halsoverkop, scheldend en op elkaars vingers trappend, buitelden we weer de kelder in en zaten we daar met knikkende knieën.

Tot opeens ’s middags….. Daar waren de eerste Canadezen. Alweer volkomen onverwacht. Ze kwamen ineens om de hoek en uit het midden van de straat, waar ze over een schutting in de tuin waren geklommen en nu de voordeur uit kwamen zetten. Ze kwamen in ganzepas van twee kanten aan gemarcheerd, het geweer in aanslag. Wat een vreugde!

Vijf jaar lang hadden we naar dit moment uitgezien en thans was het eindelijk zover. Iedereen rende naar buiten! Levensgevaarlijk want het gedonder was niet van de lucht, de granaten gierden nog lustig over en het bos zat nog vol met moffen, maar dit was gauw gezuiverd. Daar kwamen de eerste baby-tanks (bren-carriers) met tien tegelijk de straat inzwenken. Wat een gejuich en wat een blijdschap ! In een ommezien stond Papa’s laatste kruikje op tafel en het huis vol Canadezen, die klonken en dronken en hem best lusten. “ The old Dutch gin! ” We paften heerlijke sigaretten en straalden.

Maar al gauw kwam de domper. Wij bleken een van de eerste bevrijde gedeelten van de stad te zijn. Toen kwam de angst, de ontzettende angst voor vrienden en familie, die als ratten in de val zaten en overal branden in de binnenstad. Trouwens alles brandde, waar je keek. Ontzettend, ’s nachts de kazerne, de houten loodsen in het Sterrebos en bij de viaduct…. Alles stond in lichterlaaie. Ook de volgende twee dagen was de hele binnenstad, zover je bij ons kon zien, een grote, grote vuurgloed met dikke rosse rookwolken. Midden in de nacht stonden Vader en ik een tijdlang op het dak en steeds weer ontdekten we nieuwe vuurhaarden. Ik zal het nooit weer vergeten. Het was te afschuwelijk.

Met behulp van een plattegrond van Groningen konden we de branden vrij nauwkeurig bepalen en zo kwamen we ook tot de vreselijke ontdekking, dat de fabriek en het huis van mijn grootouders in de Trompstraat in brand moesten staan. Dit laatste hadden we goed gezien. ’s Zondagsmiddags stopte er een Rode Kruis auto en mijn grootouders stapten uit. Beiden 78 jaar, alles verloren, twee hoopjes ellende. Het was een reuze zielig gezicht. In het pakhuis naast onze fabriek aan het Kattendiep hadden de moffen vaten benzine gerold en daardoor is het hele blok huizen er aan die kant aangegaan. Door het zeldzaam moedig optreden van een inwonende knecht is de fabriek er vrij fatsoenlijk afgekomen.

 

Heleen in 1943. - foto: familie De Bie
Heleen in 1943. - foto: familie De Bie

Ondertussen kregen de Canadezen steeds meer versterkingen en na een hevige strijd vooral in de Singels, was het verzet dan ook spoedig gebroken en zo was dinsdag de hele stad van het moffengespuis gezuiverd en was er een eind gekomen aan de beestachtige terreur. We leven weer als vrije Nederlanders !

* Dit verhaal is onderdeel van: Bevrijd! Kleine grote herinneringen aan de bevrijding Een project van Oorlogs- en verzetcentrum Groningen.