De bevrijding van Grootegast

Lammert Helmantel, Hielke Dirk Merkus, Jan Bos en Siete de Jong uit Grootegast en Sebaldeburen

Een verhaal van De Verhalen van Groningen.

“Nou, we kunnen er kort over wezen: hier in Grootegast is niets gebeurd met de bevrijding.” Lammert Helmantel (1936), Hielke Merkus (1930), Jan Bos (1930) en Siete de Jong (1933) zijn het erover eens: de bevrijding van hun dorpen, Grootegast en Sebaldeburen, was allesbehalve spectaculair. Veel meer herinneringen hebben ze aan het Canadese kamp in Oldekerk en de NSB'ers die verraderlijke streken uithaalden.

“De Duitsers sloegen met paard en wagen op de vlucht. Deze hadden ze, evenals de fietsen waar ze op reden, gevorderd of gestolen van de kleine boeren en de burgers.” De vader van Siete de Jong zag hoe de bezetters op allerlei rijdend materieel probeerden te vluchten. “Mijn vader werkte voor de distributiedienst en hij en zijn collega's stonden aan het raam te kijken naar die stoet. Hun baas gelastte hen weer aan het werk te gaan. 'Ja,' zei mijn vader. 'Maar als het een glorieuze intocht was geweest, hadden we zeker wel mogen kijken?'”

“Stroobos, net over de grens met Friesland, was al bevrijd.” Hielke Merkus ging met wat vrienden kijken, op de fiets. “De Canadezen hadden een boerderij in brand gestoken omdat ze dachten dat er Duitsers in verstopt zaten, maar die boer was wel een goede vaderlander. Op de terugweg kwamen we nog een NSB'er tegen.”

Op zondagmiddag 15 april kwam dan eindelijk het bericht. De vader van Lammert Helmantel moest zich voor de Binnenlandse Strijdkrachten melden bij het gemeentehuis van Grootegast. “Iedereen trok naar het centrum en op zondagavond stond het daar vol met mensen.” Ook Lammert was erbij. “Het gemeentehuis was overgenomen en de mannen op het bordes, Roelf Koets en dr. Bakema maanden iedereen tot kalmte: 'Mensen, alles is nog ongewis. Er kan nog een patrouille van de Duitsers langskomen, we moeten voorzichtig zijn.' Uiteindelijk is iedereen afgedropen. Maar op maandagmorgen kwam de colonne langs.”

Een lange rij Canadese voertuigen rolde door Grootegast en Sebaldeburen richting Oldekerk. “Ze zijn hier alleen doorheen gereden, niet eens gestopt. Ze maakten V-tekens met hun vingers.” Jan Bos en zijn vrienden zagen van alles voorbij komen: “Het was een festijn. Allerhande materieel dat we nog nooit hadden gezien, zoals voertuigen half op wielen, half op rupsbanden.”

Het Canadese kamp

“Bij Oldekerk en de Kuzemer sloegen ze hun kamp op, op het land van boer Renkema. We zijn er heen geweest: een gezellige bedrijvigheid. Dit waren nu eens soldaten waar we niet bang voor waren.” Ook Lammert Helmantel ging kijken. “De soldaten waren druk bezig om alles voor de nacht klaar te maken, maar ze namen toch de tijd voor ons. We kregen ook van alles van ze: chocola, biscuitjes en kauwgum. Velen van ons konden zich niet eens herinneren hoe die dingen smaakten.” Lammert kreeg ook voor het eerst in zijn leven witbrood: “Een plak widde stuut, dik besmeerd met roomboter. Hoewel we in de oorlog geen honger gehad hebben, was dit een traktatie van de bovenste plank.”

Jan Bos: “De Canadezen die daar zaten, losten elkaar af in de gevechten om Groningen. Steeds weer vertrok er een groep naar de Stad. Na een paar dagen zijn ze allemaal verder getrokken.” Lammert Helmantel vond het jammer dat de Canadezen verder moesten: “We hadden veel plezier met de soldaten, al konden we de meesten niet verstaan. En toen ze weg waren, was het ook gebeurd met de traktaties, want bij Meint Boonstra, onze dorpswinkel, waren die lekkernijen allemaal nog niet te krijgen. Bovendien hadden vader en moeder er voorlopig het geld ook niet voor.”

'Halt hier Berghuis'

Niet ver van Grootegast hadden de Duitsers de stelling Trimunt gebouwd als onderdeel van het 'Himmelbett'. Radarstations moesten het luchtruim boven West-Europa bewaken. Of het nu kwam door die radarstelling of door andere factoren: boven het Westerkwartier waren veel vliegbewegingen waar te nemen. De vier mannen stonden als kind vaak te kijken. Jan Bos: “Engelse bommenwerpers werden achtervolgd door Duitse vliegtuigen, die opstegen vanaf de basis in Leeuwarden. Er vlogen vaak ook Engelse jagers mee. We hebben allerlei luchtgevechten gezien.” Hielke Merkus had discussies met zijn vrienden: “Wat was nou gevaarlijker, onweer en bliksem of bommenwerpers? Engelse jagers schoten op de Drachtster tram en ze hebben wel eens een postwagen doorzeefd.”  

Maar de bom die op 17 februari 1943 op het huis van Berghuis viel, was een vergissing. “Berghuis had een winkel vlak bij de brug over het Wolddiep in Sebaldeburen.” Jan Bos woorde er recht tegenover. “Het was een echte 'winkel van sinkel'. Een bommenwerper kwam in de problemen en dropte zijn lading, precies op de winkel van Berghuis. Het huis lag helemaal in puin. Toevallig was mevrouw Berghuis net in de kelder toen het gebeurde. Ze kwam ongedeerd uit het puin tevoorschijn.” Later ging de grap rond dat Berghuis zelf had gevraagd om zijn bombardement. “Bij zijn winkel had hij een groot reclamebord: 'Halt hier Berghuis'. Dat hadden die piloten natuurlijk gelezen!”

De puinhopen van de winkel van Berghuis op 17 februari 1943, met middenvoor het bord 'Halt hier Berghuis'. - Foto: J. Riemersma, www.beeldbankgroningen (2437-2116)
De puinhopen van de winkel van Berghuis op 17 februari 1943, met middenvoor het bord 'Halt hier Berghuis'. - Foto: J. Riemersma, www.beeldbankgroningen (2437-2116)

Gegijzelde vader

Voor Siete de Jong kwam er met de bevrijding een einde aan een lange periode van angst en onzekerheid. “Mijn vader zat bijna een jaar in Kamp Vught. Als de NSB'er Pier Nobach iets zou overkomen, zou vader worden gedood, samen met achttien anderen uit de omgeving van Grootegast.” Pier Nobach was in de oorlog een gevreesde collaborateur: onberekenbaar en gewelddadig. Ook zijn zoon was een fanatieke NSB'er. Het verzet wilde de beide Nobachs uit de weg ruimen. “Eerder hadden ze al geprobeerd iets te doen. Iemand had een van zijn koeien de uier afgesneden, maar wat kon zo'n beest er nou aan doen?” Op 30 oktober doodden verzetsmensen Piers zoon. Nobach wreekte zich door eigenhandig drie mannen te doden. “En toen heeft hij ervoor gezorgd dat er een aantal mannen in Vught werd vastgezet: als hem iets zou overkomen, zouden mijn vader en de andere gijzelaars gedood worden.”

Kamp Vught werd in het najaar van 1944 bevrijd met de rest van Noord-Brabant en vader De Jong keerde terug naar zijn gezin in Grootegast. “Maar we leefden nog altijd in spanning, want er hoefde maar iets te gebeuren en hij kon weer opgepakt worden. Pas toen we bevrijd waren, konden we opgelucht ademhalen.”

NSB'ers

De NSB'ers uit de omgeving werden in de Openbare School van Grootegast gevangen gezet. Hielke Merkus was regelmatig te vinden bij de school. “Ik ging elke dag kijken. Er zaten veel kleine boeren bij de NSB, die voor de oorlog lid waren geworden om politieke redenen, maar er zaten ook slechten bij. Toch heeft de ondergrondse ook wel verkeerde dingen gedaan. Een NSB'er in Peebos verloor zijn dochtertje en toen hebben onverlaten op het kerkhof de grafsteen stukgeslagen.”  

Jan Bos: “Ze waren niet allemaal fout, maar er zaten er een paar bij die doden op hun geweten hadden. In een cel achter het gemeentehuis zat een man die briefjes had gestuurd aan Nobach, om mensen te verraden. Hij hoorde bij onze kerk. Op een bepaald moment vroeg hij om 'geestelijke bijstand'. De bewaker, die ook lid was van de gereformeerde kerk, zei toen: 'Geestelijke bijstand? Die hebt u niet nodig!' Later heeft hij daar nog wel een reprimande voor gekregen van de dominee.”

De NSB'ers werden gevreesd en gehaat, maar als ze niet in de buurt waren, werden ze ook bespot. “Een Limburgs meisje, evacué, zong dit liedje toen duidelijk werd dat de Canadezen eraan kwamen:

De oude tijd komt weer
De mof is verdwenen
Geen NSB'ers meer...

Op Pier Nobach werd het volgende gedicht:

Ginds in die droge sloot
Daar lag Pier Nobach dood
Een eindje verderop
Daar lag Douwe Bot.” [een andere NSB'er]

De bevrijding in de Stad

“Na de bevrijding kon mijn vader een nacht niet slapen.” De vader van Hielke Merkus had twee zussen die beiden in Groningen woonden en hij was er niet gerust op. “Hij kwam de volgende ochtend met een geleende tandem aanzetten en zei: 'Hielke, wij gaan vandaag naar de Stad.' Dus we fietsten via Zuidhorn naar Groningen. De stad was al bevrijd. Overal lag glas op de weg, dus we moesten heel voorzichtig fietsen. In het centrum stond iemand op een hoek fietsvlaggen uit te delen. Mijn vader stapte af en duwde mij die kant op: 'Hin, doe.' Ik heb ook een vlaggetje gekregen. Vaders zussen waren ongedeerd en in redelijk goede gezondheid. Op die tocht heb ik gezien hoe erg de stad kapotgeschoten was. Zoiets vergeet je nooit weer.”