Bevrijding met een rood randje

Wemke Ketting-Jager was vier jaar toen de Canadezen haar dorp Farmsum bevrijdden. “Op 1 mei stonden mijn moeder en ik buiten. Er werd nog steeds hevig gevochten en toen zagen we Tommies overvliegen die bommen afwierpen op Delfzijl en Emden. 'Als dit ons de bevrijding niet geeft, dan weet ik het ook niet meer,' zei mijn moeder.”

Laatste schoten

Farmsum, tegen Delfzijl aan, was het laatste dorp in Nederland waar gevochten werd. “De bombardementen duurden al dagen en eigenlijk moesten we in een schuilkelder, maar ik had difterie en dat was besmettelijk. De dokter kwam mij elke dag een spuit geven; nu eens onder begeleiding van een mof, dan weer met een Canadees.” De wisselende militaire begeleiding van de dokter vertelde het gezin Jager iets meer over waar het front lag. “Er werd gevochten in Delfzijl en ten zuiden van Farmsum.” Op 2 mei gaven de laatste Duitsers, die zich in de kerk hadden verschanst, zich over. Het verhaal gaat, dat de laatste schoten van de Duitse sluipschutters in de toren ook de laatste schoten tijdens oorlogsgevechten in Nederland zijn.

Rode Hulp

Met de bevrijding kwam er een einde aan de terreur die het gezin Jager diep getroffen had. “Mijn vader was lid van de CPN en hielp Joden ontsnappen uit Duitsland. Hij was fietsenmaker in Weiwerd en deed mee aan de Rode Hulp. Duitse Joden kwamen op de fiets naar Weiwerd gereden en hij regelde een nieuwe schuilplaats voor hen in Groningen of elders in Nederland. En ze wisselden bij hem van fiets.” Hindrik Jager zat ook namens de CPN in de gemeenteraad van Delfzijl. Eind juli 1940 besloot de bezetter dat communisten geen politieke functies meer mochten uitoefenen. “Mijn vader kreeg een brief met de mededeling dat hij uit de gemeenteraad was gezet.”

De situatie voor Hindrik Jager werd steeds onveiliger. “Hij voer ook op binnenschepen die mijnsteen en bagger vervoerden. Na de februaristaking stond een kameraad uit Termunten hem op te wachten met de boodschap: 'Hindrik, ze moeten jou hebben.' Toch is hij 's nachts thuis gekomen. Zijn zwager kon regelen dat hij met een sleepboot meevoer naar het neutrale Zweden, maar hij wilde niet. Hij wilde mijn geboorte afwachten.”

Rode kleding

“Mijn vader werd gearresteerd toen ik zes weken oud was.” Hindrik Jager werd in 1941 opgesloten in het Huis van Bewaring in Groningen. “Mijn moeder mocht hem af en toe bezoeken, maar daar moest ze een formulier voor halen op het Scholtenhuis. Ze was altijd bang als ze daar naartoe moest.” Via Amersfoort werd Jager op transport gesteld naar het Duitse concentratiekamp Buchenwald. Daar werd hij in augustus 1942 omgebracht. “Veel later pas kreeg mijn moeder bericht dat hij niet meer terug zou komen en dat ze zijn kleren kon ophalen. Ik heb de kleren gezien; ze waren rood van het bloed. Ik zal misschien drie jaar zijn geweest, maar ik vergeet het nooit.”

Ook de opa van mevrouw Jager was communist en werd opgepakt. “Hij is in een Duits kamp terechtgekomen, waar hij op den duur klusjes mocht doen voor de kampcommandant. Eén van die klusjes was bij hen in huis. De vrouw van de commandant raakte met hem aan de praat en toen ze hoorde dat mijn opa had gevaren, vertelde dat ze haar zoon had verloren, op zee. Mijn opa heeft gepraat en gepraat en een heel verhaal opgehangen over het bijzondere toeval dat hij haar zoon gekend had. Kort daarna kon hij, met hulp van de vrouw van de kampcommandant, ontsnappen.”

Eind 1944 stond hij ineens voor de deur. Hij had martelingen doorstaan en had een slecht been. Hij kon nauwelijks lopen. “Ik had geen herinneringen aan opa Bonno Smit, maar ons hondje wel. Die sprong van blijdschap tegen hem op.”

Rood stempel

 Mevrouw Jager kwam er na de bevrijding al gauw achter dat haar familie een rood stempel droeg. “'Die willen we niet in huis hebben, die is van een communist,' zeiden de ouders van vriendinnetjes. Maar mijn moeder prentte me in: 'Je vader heeft de dingen gedaan die gedaan moesten worden. Laat je niks wijsmaken.' En zo is het. Ik houd mijn rug recht.”